
Aurelius Augustinus
De cura pro mortuis gerenda
Wat kunnen wij voor de doden doen?
Vertaald door Jan den Boeft en Hans van Reisen.
Uitgeverij Damon;
Eindhoven / Utrecht 2020 (vijfde druk)
70 p.; paperback
isbn 978 94 6340 123 4
Omstreeks het jaar 423 schrijft Augustinus een mooie brief aan zijn bevriende collega Paulinus van Nola (354-431). Eerder had Paulinus aan Augustinus enkele intrigerende kwesties voorgelegd, omdat een weduwe hem dringend had verzocht haar overleden zoon op een bijzondere plek te laten begraven. Haar verzoek was gehonoreerd, maar de bezorgde medebisschop bleef toch met enkele vragen zitten en had behoefte aan ruggespraak met Augustinus.
In zijn reactie zoekt Augustinus antwoord op vier problemen: Maakt het wat uit of je een gestorvene begraaft of cremeert en zo ja, voor wie? Als je een overledene begraaft, maakt het dan enig verschil waar je dat doet en zo ja, voor wie? Heeft het zin om voor overledenen te bidden? Wat moet je ervan denken wanneer een dierbare gestorvene in je dromen verschijnt?
Het is niet bekend of Paulinus tevreden was met Augustinus’ antwoorden. We weten alleen dat de inhoud ervan de eeuwen door grote invloed had op de duiding van allerlei rituelen rondom gestorvenen, tot op de dag van vandaag. Daarom wordt de brief als afzonderlijk geschrift bewaard met een eigen titel: De cura pro mortuis gerenda.
Voor meer informatie en bestelling: damon.nl => Wat kunnen wij voor de doden doen?, in samenwerking met het Augustijns Instituut.
Voor recensie in Open Vensters nr. 37: OV37 2009
