Saint Augustin et les actes de parole

Jean-Louis Chrétien

Saint Augustin et les actes de parole

Uitgeverij Paris, Épiméthée; PUF; 2002;
268 p.; paperback;
isbn 978 21 3052 469 4

Jean-Louis Chrétien heeft een bijzonder stijlvol en mooi boek over Augustinus geschreven. Hij doet dat aan de hand van werkwoorden, zoals: ondervragen, luisteren, vertalen, lezen, zwijgen, belijden, zingen, vergeven, zuchten en jubelen.

Hij behandelt die niet zonder humor: zo wordt na eten en drinken en herkauwen, ook het werkwoord boeren (éructer) besproken. Maar zoals de auteur zelf zegt, is het zijn bedoeling zo rigoureus en precies mogelijk te beschrijven wat volgens Augustinus de werkdadigheid van het woord zijn. De hedendaagse filosoof zal onmiddellijk aan de taaldaden-theorie denken. Door aandacht voor het ‘performatieve karakter’ van een taaldaad te hebben, is men zich bewust dat in de taal, soms eerder dan een beschrijving, er een daad gesteld kan worden: een daad van belofte, vraag, gebod, eed, benoeming of gebed. Naast Augustinus’ bekendheid met de toen sterk door de Stoa op gang gebrachte tekentheorie van de taal – waarin taal begrepen wordt als communicatiemiddel of als instrument voor informatie – had hij een bijzondere gevoeligheid voor het gegeven dat in taal ook nog iets anders gebeurt. Niet alleen past hij dat toe in de context van zijn sacramentenleer, waar hij zegt dat er iets gebeurt of voltrokken wordt als de woorden toegevoegd worden aan het teken; bijvoorbeeld: “ik doop u in naam van de vader en de zoon en de heilige geest”. Maar hij ziet de uiterste mogelijkheid van het woord ook in het gebed en fundeert dit in een theologie van het woord: God die zelf woord geworden is.
Zonder alleen op de sacramentenleer of de theologie van het Woord in te gaan, geeft Jean-Louis Chrétien een prachtige ‘fenomenologie van het woord’ gebaseerd op een rijke lezing van teksten van Augustinus. Door op de eerste plaats het werkwoord ‘ondervragen’ interroger te bespreken, stelt Chrétien het thema van zoeken en vinden aan de orde. Het is misschien wel een van de meest fundamentele thema’s bij Augustinus. Hij heeft opgemerkt dat je iets niet zou zoeken als je het niet al gevonden had (verwijzend naar de drachme van de vrouw in het Lucas-evangelie: ze was de drachme kwijt, maar ze wíst nog wel dat ze die drachme kwijt was).
Maar als je het gevonden hebt (zoals Augustinus zelf ten tijde van de Belijdenissen en erna ‘het’ gevonden had) begint het zoeken pas echt. Aan het slot van een van zijn laatste geschriften, De Trinitate, belijdt hij dat het vinden van God een zoeken en verlangen blijft. Ook dat slot van De Trinitate zelf gaat over zoeken en vinden: “Geef mij kracht om te zoeken, Gij die U hebt doen vinden en die hoop hebt gegeven U steeds meer te vinden. Mijn kracht en mijn zwakheid liggen voor U open: waar Gij voor mij hebt opengedaan, neem mij op wanneer ik binnentreed; waar Gij gesloten hebt, open daar wanneer ik klop”.
Augustinus vraagt zich af of hij God met een stroom van woorden moet blijven loven of dat hij juist beter kan zwijgen. Zo is te begrijpen hoe zinvol het is in een boek over les actes de parole ook werkwoorden als zwijgen, luisteren, zuchten en het jubelen-zonder-woorden te bespreken. Dat alles komt uitvoerig bij Augustinus en in het hier gepresenteerde boek ter sprake. Misschien is daarom de titel onderkoeld bescheiden en niet zonder humor, want net als Augustinus gaat dit boek verder; het is zich bewust van de grenzen van het woord en wat het werkelijk luisteren naar taal te zeggen heeft: het werkelijk luisteren is maar mogelijk door genade, de act van het goddelijke Woord.

Voor recensie in Open Vensters nr. 15: OV15 2004