Als je vast …

Gedachten voor de 40-dagentijd

Zoals de naam veertigdagentijd al suggereert, ligt de nadruk op het getal veertig. Augustinus maakt elk jaar van de gelegenheid gebruik om de betekenis van dit getal uit te leggen: hoe meer betekenissen hij ontdekt, hoe leuker hij het vindt. Het wordt dan steeds gemakkelijker om die te onthouden en je te realiseren dat er een bijzondere periode is aangebroken.

Een tien voor goede werken
Vasten en bidden doet het overal ter wereld, het hele lichaam van de Heer, dat wil zeggen: de hele kerk, de eenheid die in de psalm zegt: ‘Vanaf de grenzen van de aarde heb ik tot U geroepen, omdat mijn hart verontrust werd’ (Ps 61,3). Deze woorden maken duidelijk waarom de veertigdagentijd is ingesteld. Want de kerk roept vanaf de grenzen van de aarde, wanneer haar hart verontrust wordt. Zij roept vanuit de vier windstreken, die in de Schrift ook herhaaldelijk worden genoemd: het oosten, het westen, het noorden en het zuiden (Lc 13,29). In alle vier de richtingen worden de tien geboden van de wet afgekondigd. Die mogen wij niet meer alleen om de letter vrezen, nee, wij moeten ze nu ook door de genade van de liefde vervullen. Tien maal vier is toch veertig?

Toch gaan wij nog steeds gebukt onder de bekoring en moeten wij nog steeds om vergiffenis vragen voor onze fouten. Wie brengt het gebod: u mag niet begeren … (Ex 20,17 en Dt 5,21) nu volmaakt in vervulling? Daarom moeten wij vasten en bidden. Tegelijkertijd mogen wij niet ophouden met goede werken doen! Voor die inspanning krijgen wij aan het eind een beloning. Wij spreken dan van een tientje (Mt 20,2-13). Welnu, zoals een cent een honderdste van een euro is en een kwartje een vierde, zo ontleent het tientje zijn naam aan het briefje van tien euro. Tel die tien nu eens op bij die veertig, dan hebt u de beloning voor de inspanning. Het getal vijftig staat voor de vreugde die niemand ons kan ontnemen (Joh 16,21). De

vervulling hiervan kunnen wij in dit leven nog niet ervaren. Straks is de plechtige herdenking van het lijden van de

Heer voorbij. Wij vieren de vreugde gedurende de vijftig dagen vanaf de dag van zijn verrijzenis. Gedurende die periode hoeven wij niet te vasten. Wij vieren de vreugde met lofprijzingen voor Hem door het alleluja te laten klinken.

(Sermo 210,8)

Copyright Augustijnse Beweging, Utrecht
Uit de brochurereeks Augustinus aan het woord.
Als je vast … Gedachten voor de 40-dagentijd

Verantwoortding
De afbeelding op de voorkant is afkomstig van het Laatste Avondmaal van Dirc Bouts (1410-1475) in de Sint-Pieterskerk in Leuven; op dit onderdeel krijgt de profeet Elia water en brood door een engel aangereikt (1 K 19,7).

Het fragment uit de sermo 210 is afkomstig uit Joost van Neer, Paul Wammes, Martijn Schrama O.S.A. en Anke Tigchelaar, Aurelius Augustinus – Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar, Baarn 1996

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *