Het laatste fragment is uit de Belijdenissen en een vervolg op de vorige tekst
daaruit (6): als je vriend door de dood wordt verslonden, kan dat verlies de
vriendschapsband dan teniet doen?
Ongelukkig is iedereen die gebonden is door vriendschap met wat
vergankelijk is. Het verlies ervan verscheurt je en maakt je bewust
van de kwetsbare situatie waarin je vóór dat verlies ook al was.
Zo was ik er toen ook aan toe, ik huilde bittere tranen en in die
bitterheid vond ik rust. Ik voelde me diep ellendig en toch hield
ik meer van het leven, hoe ellendig het ook was, dan van die vriend.
Ik wilde wel dat mijn leven anders was, maar toch wilde ik het
niet opgeven, evenmin als mijn vriend. Ik weet niet of ik het wel
voor hem had willen opofferen, zoals de traditie vertelt van Orestes
en Pylades die – als dit tenminste niet alleen maar een verhaal is –
samen voor elkaar wilden sterven, omdat ze de dood minder erg
vonden dan niet meer samen te kunnen leven. Maar ik had een
vreemd gevoel gekregen dat daar helemaal mee in strijd leek: ik
walgde echt van dit leven, maar ik was ook bang om te sterven.
Hoe meer ik van hem hield, des te meer haatte ik de dood, denk ik,
want die had hem van mij afgenomen. Ik haatte de dood als een grimmige
vijand en ik was er ook bang voor. Ik dacht dat hij iedereen wel
opeens kon verslinden, als hij in staat was mijn vriend te verslinden.
Ja, zo was ik er aan toe, echt, ik weet het nog goed. (…)
Ik was verbaasd dat de andere mensen bleven leven,
want degene van wie ik gehouden had alsof hij niet kon sterven,
was dood. En nog meer verbaasd was ik dat ik zelf, zijn tweede
ik, na zijn dood bleef leven. Iemand heeft ooit heel juist gezegd
dat een vriend de helft van je ziel is. Ik had ook het gevoel dat
zijn ziel en de mijne één ziel waren in twee lichamen, en daarom
vond ik het leven zo verschrikkelijk, want ik wilde niet half leven.
Maar daarom was ik misschien ook zo bang om te sterven, want
degene van wie ik zoveel gehouden had, mocht niet helemaal
sterven.
(Confessiones 4,11-12)
