7. Je leven geven voor je vrienden

De volgende passage is afkomstig uit een doorlopend commentaar in preekvorm
over de eerste brief van Johannes. Augustinus hield deze voordrachten in de
Paastijd, waarschijnlijk in 407.


De liefde is niet bij alle mensen volmaakt. Je hoeft daarom nog
niet te wanhopen. Als er maar een begin van de liefde is, de
vervolmaking komt later. Eerst moet de liefde aanwezig zijn,
vervolgens worden gevoed om ze zo geleidelijk aan met
aangepaste middelen tot volkomenheid op te voeren. We zijn
nagegaan waar de liefde moet beginnen. Als antwoord hebben
we gevonden: ‘Als je genoeg goederen van deze wereld bezit en je
broeder of zuster gebrek ziet lijden maar je hart voor die ander sluit,
hoe kun je dan de liefde van de Vader in je hebben?’ (1 Joh 3,17).
De liefde begint dus bij het meedelen van eigen overvloed aan
een behoeftige, aan een mens in moeilijkheden. Met de tijdelijke
overvloed van de een kan dus een medemens van tijdelijke
ellende worden bevrijd. Dat is de aanvangsfase van de liefde
Als u die ontluikende liefde verder voedt met het woord van God
en de hoop op het toekomstig leven, komt u tot het hoogtepunt
van de liefde: de bereidheid namelijk om je leven te geven voor
je medemens.
(In epistulam Iohannis ad Parthos tractatus 6,1)