3. Je vriend als ontvoerder

In hetzelfde jaar 387 dat Augustinus begint met het schrijven van zijn
Belijdenissen correspondeert hij met zijn goede vriend Nebridius. Die was
afkomstig uit gegoede kringen in de omgeving van Carthago en was Augustinus
naar Milaan achterna gereisd en had zich daar toen bij hem aangesloten
(Conf 6,17). Aanvankelijk was hij manicheeër net zoals Augustinus, maar ook
hij sloot zich aan bij het katholieke christendom, overigens wel wat later dan
Augustinus (Conf 9,6). Onderstaand briefje is van Nebridius. Daarmee reageert
hij op het verzoek van Augustinus om hem eens een langere brief te schrijven.
Er was intussen een jaar verstreken…


Het is dus maar al te waar, mijn beste Augustinus, dat de zaken
van andere mensen al je aandacht en energie opeisen zodat je
geen tijd voor bezinning kunt vrijmaken en je jezelf in aangename
contemplatie kunt terugtrekken. Want daarnaar gaat je hart toch
het meeste uit!
Wie zijn degenen, vraag ik je, voor wie je zo aardig en
welwillend bent dat je wilt afzien van je meditatie? Mensen die
geen fl auw benul hebben van wat je liefhebt en waarnaar je zo
verlangt? Is er van je vrienden dan niemand die het hun duidelijk
kan maken; die kan uitleggen waarop al je aspiraties gericht
zijn? Zou Romanianus dat niet kunnen, of Lucianus?
Ach, konden ze míj maar horen, dan zou ik hun toeschreeuwen
en luid verklaren dat je alleen maar God wilt beminnen,
alleen maar God wilt dienen, je alleen maar aan God wilt hechten.
Ach, kon ik je maar naar mij toe halen, naar de rust van
mijn huis op het land, in de landelijke rust. Kon ik je daar maar
van de stilte laten proeven. Ik zou er niet voor terugschrikken bij
je medeburgers van wie je veel te veel houdt en door wie je ook
zelf veel te veel wordt bemind, door te gaan voor een
ontvoerder.
(Epistula 5)