9. Treuren om een ontslapene is menselijk

Onderstaand fragment is uit een preek, gehouden rond het jaar 418 bij de
nagedachtenis van overledenen. Christenen treuren niet zonder hoop.


De heilige apostel Paulus waarschuwt ons niet te treuren om
de slapenden – onze zeer dierbare doden – zoals de rest van de
mensheid doet. Die heeft geen hoop: ik bedoel geen hoop op
verrijzenis en eeuwige onvergankelijkheid (1 Tes 4,13) De Heilige
Schrift heeft zeer terecht de gewoonte om hen slapenden te
noemen, juist met de bedoeling dat wij bij het horen van slapenden
absoluut niet wanhopen aan hun ontwaken. Daarom wordt ook
in een psalm gezongen: “Wie slaapt, die ligt toch om weer op te
staan?” (Ps 41,9) De mensen die hun doden liefhebben ervaren een
bepaalde droefheid, dat ligt in hun natuur. Want niet met je verstand
huiver je voor de dood maar van nature. De dood was de mens
niet overkomen als het niet de straf was voor de schuld die eraan
voorafging.
De dieren zijn zo geschapen dat elk dier op zijn eigen tijd sterft: zij
vluchten voor de dood, ze houden van het leven. Hoeveel meer nog
doen mensen dat? Ze waren zo geschapen dat ze eindeloos hadden
kunnen leven – als ze zonder zonden hadden willen leven. Daardoor
komt het dat we niet anders kunnen dan treuren als mensen die wij
liefhebben ons ontvallen door de dood. Ook al weten we dat zij ons,
de achterblijvers, niet voor eeuwig verlaten. Nee, ze gaan ons korte
tijd vooruit en dan zullen wij volgen. Maar als de dood, die vijand van
de natuur, een geliefde wegneemt, treurt in ons de liefde voor die
persoon.
Daarom zegt de apostel niet dat we niet mogen treuren, nee,
het mag alleen niet zoals de rest van de mensheid dat doet: die
heeft geen hoop. Wij treuren dus om de dood van onze dierbaren
omdat we ze onvermijdelijk verliezen, maar in de hoop hen terug
te krijgen. Het eerste maakt ons bang, het tweede biedt ons troost;
onze zwakheid maakt ons ziek, ons geloof maakt ons beter; onze
menselijke conditie doet pijn, de belofte van God geneest.
(uit: Sermo 172,1)