Uit een preek gehouden rond het jaar 418 ter nagedachtenis van overledenen.
Verdriet kan een gebroken hart genezen.
Laten wij bij de viering van een sterfdag troost zoeken bij elkaar,
en ook in mijn woorden. Het hart van een mens is in staat om niet
te treuren om een overleden dierbare. Toch is het beter dat het
hart genezen wordt van zijn verdriet door te treuren, dan dat het
onmenselijk wordt door niet te treuren. Maria klemde zich vast aan
de Heer en treurde om haar dode broer. Waarom bent u verbaasd
dat Maria treurt op het moment dat zelfs de Heer moet huilen? (Joh
11,32-35) (…)
Daarom ook zegt de apostel Paulus: “Broeders en zusters, wij
willen u niet in het ongewisse laten over de doden, zodat u niet
hoeft te treuren zoals de heidenen, die geen hoop hebben.” (1 Tes
4,13) Hij zegt niet alleen zodat u niet hoeft te treuren, maar: zodat u
niet hoeft te treuren zoals de heidenen die geen hoop hebben. Het
is onvermijdelijk dat u treurt. Maar als u treurt, laat de hoop u dan
troosten. Ja, hoe zou u niet treuren als het lichaam, dat leeft door
de ziel, ontzield wordt omdat de ziel het verlaat? Wie kon lopen ligt
daar nu, wie kon spreken zwijgt, de gesloten ogen vangen geen licht
meer, het oor is doof voor elk geluid. Alle taken van het lichaam zijn
in ruste. Er is niemand meer om de voeten te laten lopen, de handen
te laten werken, de zintuigen te laten waarnemen. Moeten we niet
denken aan een huis dat een onzichtbare bewoner mooi heeft
ingericht? Die onzichtbare bewoner is vertrokken, gebleven is wat we
met verdriet aanschouwen.
Dat veroorzaakt onze droefheid. Als dit onze droefheid
veroorzaakt, laat er dan een troost zijn voor deze droefheid. Welke
troost? Paulus zegt: “Wanneer het signaal gegeven wordt, de
aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal
de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die
Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven
zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan
we in de lucht de Heer tegemoet.” (1 Tes 4,16-17) Ook dat zal toch
niet tijdelijk zijn? Nee, maar wat dan wel? “Dan zullen we altijd bij
Hem zijn.” (1 Tes 4,17) Laat de smart verdwijnen waar zoveel troost
is. Laat de rouw worden verjaagd uit ons hart, laat het geloof ons
verdriet verdrijven.
Bij zoveel hoop mag de tempel van God niet bedroefd zijn. Daar
woont de goede Trooster, daar woont Hij die belooft en niet bedriegt.
Waarom zo lang getreurd om een dode? Omdat de dood bitter is?
Ook de Heer is er doorheen gegaan.
Mogen deze paar woorden voldoende voor u zijn, lieve mensen.
Meer troost krijgt u van Hem die uw hart niet verlaat. Moge Hij de
goedheid hebben om daar te wonen en zo ook de goedheid hebben
om ons aan het eind te veranderen.
(uit: Sermo 173,2 en 3)
