8. De afstand als hindernis voor vriendschappelijk leven?

In de volgende brief aan Nebridius uit het jaar 389 mijmert Augustinus over het
contact tussen vrienden wanneer de onderlinge afstand een probleem is om
elkaar nabij te zijn.


Je hebt me al veel problemen voorgelegd. Maar geen enkel
heeft me zo beziggehouden als de inhoud van je laatste brief.
Daarin beschuldig je mij van nalatigheid. Ik zou me geen greintje
inspannen om aan een gemeenschappelijk leven te werken.
Dat is een ernstige aanklacht, als ze op waarheid berust, een
aanklacht met gevaarlijke gevolgen.
Toch is het allemaal nogal duidelijk. Als het gaat om ons
ideaal om samen een gemeenschap te vormen, pleit alles ervoor
om dat hier in Thagaste gestalte te geven; beter hier dan in
Carthago. We kunnen beter hier wonen dan op het platteland.
Ik weet absoluut niet wat ik met je aan moet, dierbare
Nebridius. Zal ik misschien een comfortabele wagen naar je
toesturen? Want Lucianus hier is van mening dat je wel in staat
bent met een draagkoets te reizen. Maar ik denk dat je moeder,
die jou al niet wilde loslaten toen je gezond was, nu je ziek bent
daar nog minder van wil horen.
Of zal ik naar jóu toekomen? Maar dan zit ik weer met
de moeilijkheid dat de broeders hier niet met mij mee kunnen.
En me dunkt, ik kan ze toch ook niet aan hun lot overlaten.
Want jij bent in ieder geval in staat om vredig bij je eigen geest
te verblijven. Maar hier zijn broeders die dat nog niet kunnen,
en ik heb mijn handen vol om het hun te leren.
Zal ik dan maar regelmatig op en neer reizen om nu eens
bij jou en dan weer bij hen te zijn? Maar dat staat helemaal haaks
op gemeenschappelijk leven, en het strookt ook niet met wat we
willen. Want Carthago ligt niet naast de deur, integendeel.
En regelmatig zo’n afstand te moeten afl eggen, is beslist niet
bevorderlijk voor de contemplatie waar we zo naar uitzien.
Daarbij komt nog de factor gezondheid. Niet alleen jouw
ziekte, ook mijn broze gezondheid, zoals je weet, laat me niet toe
alles te doen wat ik zou willen, tenzij ik er mee zou ophouden
meer te willen dan ik aankan. (…)
Jou zeg ik het, maar ik zou het niet tegen iedereen zeggen.

Jou zeg ik het, omdat ik heel goed weet dat je gedachten en je
verlangens al in de hemel zijn. Zelf heb je zo vaak ondervonden
hoe zoet het zieleleven is van de mens die volkomen onthecht
is en niet meer vastzit aan de aarde. Zou juist jij dan niet willen
erkennen dat de mens zo vrij kan worden van elk angstgevoel
dat hij terecht de naam van wijze verdient? Of zou je durven
beweren dat die gesteltenis – vrij zijn van angst en aan die
toestand ligt de rede ten grondslag – ooit je deel was geworden
wanneer je niet tot in het diepste van je eigen binnenste was
teruggekeerd?
Onder deze omstandigheden blijft er, zoals je ziet, slechts
één ding over: overleg maar bij jezelf hoe we tot een gemeenschap
pe lijk leven kunnen komen. Hoe we dat met je moeder
moeten oplossen, weet jij beter dan ik. Je broer Victor zal haar
toch zeker niet in de steek laten?
Ik wil je niet langer afhouden van het nadenken hierover.
Daarom schrijf ik je deze keer over niets anders dan dit.
(Epistula 10,1 en 3)