7. Gods zorg voor de doden

Onderstaand fragment is afkomstig uit een brief rond het jaar 423. Augustinus
schreef aan zijn collega Paulinus, bisschop van Nola bij Napels. Hij gaat in de
brief onder andere in op de zin van rouwrituelen.


Lichamen van overledenen mag men niet zomaar weggooien zonder
er zorg aan te besteden. En zeker niet die van rechtvaardige en
gelovige mensen. Die lichamen werden door hun geest op geheiligde
wijze als instrumenten voor allerlei goede werken gebruikt. Een
kledingstuk van een vader of een ring of iets dergelijks heeft voor zijn
kinderen een emotionele waarde dankzij genegenheid jegens hun
ouders. Dus mogen zij in geen geval het lichaam veronachtzamen,
dat ons mensen meer vertrouwd is en meer met ons verbonden dan
wat voor kleren ook die we dragen. Het lichaam dient immers niet
tot sieraad of steun van buitenaf, maar heeft direct te maken met de
menselijke natuur.
Vandaar dat men ook in oude tijden met liefdevolle
plichtsbetrachting het stoffelijk overschot van rechtvaardige mensen
verzorgde, hun uitvaart vierde en hun graf inrichtte. Tijdens hun
leven gaven ze zelf aan hun kinderen opdrachten over het begraven
of overbrengen van hun stoffelijk overschot (Gn 47,29-31 en 50,25).
De engel getuigt ervan dat Tobit door doden te begraven Gods
gunst verworven heeft (Tob 2,1-7). Ook de Heer die op de derde
dag zou opstaan uit zijn graf prijst de goede daad van een vrome
vrouw en spreekt uit dat ook anderen haar moeten prijzen. Zij goot
een kostbare parfum over zijn lichaam uit en deed dat met het oog
op zijn begrafenis (Mt 26,7-13, Mc 14,3-11 en Joh 12,1-8). En in
het evangelie wordt met lof melding gemaakt van degenen die zijn
lichaam van het kruis haalden en zorgden voor een zorgvuldige en
eervolle begrafenis (Mt 27,57-60, Mc15,42-46, Lc 23,50-64 en Joh
19,38-42). Maar die gezaghebbende passages uit de Schrift sporen
daartoe niet aan omdat lijken enig waarnemingsvermogen bezitten.
Nee, ze geven aan dat God, die ook behagen schept in zo’n vrome
plichtsbetrachting, zijn voorzienige zorg uitstrekt over het lichaam
van overledenen met de bedoeling het geloof in de opstanding
verder op te bouwen. Daardoor leren we tot ons heil ook hoe groot
de beloning kan zijn voor aalmoezen aan levende mensen die dat
ervaren, als in Gods ogen niet verloren gaat wat men in zorgvuldige
plichtsbetrachting jegens het stoffelijk overschot van doden verricht.
(uit: De cura pro mortuis gerenda 5 = De civitate dei 1,13)