6. Huilen om een vriend

In de Belijdenissen blikt Augustinus ook terug op een bijzondere vriendschap
uit zijn jeugd: door het intense verdriet om het verlies van een vriend komt de
waarde van de vriendschap aan het licht..


Toen ik pas begonnen was met lesgeven in mijn geboortestad
Thagaste, had ik een vriend gekregen die mij heel dierbaar was
omdat we dezelfde belangstelling hadden. Hij was even oud als
ik en ook in de bloei van zijn jeugd. We waren samen kind
geweest, samen naar school gegaan en we hadden samen
gespeeld. Maar toen was hij nog niet echt mijn vriend. Daarna
trouwens ook niet, als je ervan uitgaat hoe ware vriendschap
behoort te zijn. Ze wordt pas echt als U, Heer, mensen die aan
elkaar gehecht raken, samen bindt door uw liefde die in ons hart
is uitgestort door de Heilige Geest, die ons geschonken is (Rom
5,5). Het was een fi jne vriendschap, gevoed door een diepe
belangstelling voor dezelfde dingen. (…)
Maar U hebt hem uit dit leven weggenomen toen hij nog
maar nauwelijks een jaar mijn vriend was, een vriendschap die
voor mij zoeter was dan alles in mijn leven. (..) Wat hebt u toen toch
gedaan, mijn God, wat zijn uw oordelen toch ondoorgrondelijk!
(Rom 11,33) Hij kreeg koorts en lag lange tijd buiten bewustzijn,
in het zweet van de dood. Niemand had nog hoop en daarom
werd hij gedoopt. (…) Hij knapte op en werd beter …).
Maar een paar dagen later kwam de koorts terug en
stierf hij. Ik was er niet bij. Dit verdriet hulde mijn hart volledig
in duisternis en alles wat ik zag was de dood (Kl 5,17). Onze stad
werd voor mij een marteling en het huis van mijn ouders een
grote ellende. Alles wat ik met hem samen gedaan had, werd
zonder hem een onmetelijke kwelling. Mijn ogen verwachtten hem
overal, maar hij was er niet. Ik haatte alles omdat hij er niet was,
en niets kon meer tegen mij zeggen: ‘Hij komt zo weer terug,’
zoals toen hij nog leefde wanneer hij even weg was. Ik werd
voor mezelf een groot vraagteken en ik vroeg aan mijn ziel
waarom ze zo bedroefd was en waarom ze me zo in de war
bracht (Ps 42,6-7.12 en 43,5). Maar ze kon mij geen antwoord
geven. En als ik zei: ‘Vertrouw dan op God,’ gehoorzaamde ze
niet en terecht, want deze dierbaarste vriend die ze verloren had
was veel echter en beter dan het drogbeeld dat ik van God had,
waar ze haar hoop op had moeten vestigen. Er was maar één
ding dat me goed deed, huilen. Dat nam in mijn ziel de plaats
over van mijn vriend.
(Confessiones 4,7-9)