Hier behandelt Augustinus vooral enkele verzen uit Ps 34. Het is onbekend
wanneer en waar Augustinus deze preek gehouden heeft.
Ooit loopt ons leven ten einde en de oude dag brengt veel klachten
en weinig vreugde met zich mee. Bij alle ellende waardoor de
mensen steeds worden geteisterd, zoeken zij alleen maar gelukkige
dagen. Zij willen een lang leven, dat zij hier op aarde niet kunnen
hebben. Zelfs een lang mensenleven is in vergelijking met de totale
duur van de hele wereld kort: alsof één druppel water vergeleken
wordt met de hele zee. Wat stelt een mensenleven nu eigenlijk voor,
zelfs een zogenaamd lang leven? (Ps 91,10) Ze noemen zo’n leven
lang, maar in deze wereld is het kort. En zoals ik al zei, het zuchten
en steunen houdt nooit op, al word je stokoud.
Dit alles hier is kort en vluchtig, maar wat sloven de mensen
zich uit! Wat een inzet, wat een zorg, wat een toewijding! Wat een
inspanning en moeite om te proberen hier op aarde lang te leven
en oud te worden! En wat is lang leven nu anders dan hollen naar
het einde? U hebt de dag van gisteren gehad, u wilt ook die van
morgen hebben. Maar als ook die van morgen voorbij is, bent u hem
kwijt. U verlangt vurig dat het dag wordt, maar zo komt het eindpunt
dichterbij waar u juist niet terecht wilt komen. U hebt iets te vieren
met uw vrienden. Dan hoort u van mensen die het beste met u voor
hebben: “Nog vele jaren!” En u wilt dat die wens in vervulling gaat.
Waarom? Wilt u dat er jaar op jaar blijft volgen en er nooit een eind
aan komt? Uw verlangens zijn tegenstrijdig: u wilt wel onderweg zijn
maar niet aankomen.
Maar zoals gezegd, wanneer de mensen al zoveel moeite doen
en hopen hun dood uit te stellen door zich dagelijks enorm en
onophoudelijk in te spannen, hoeveel moeite moeten zij dan doen
om nooit te sterven? Daar wil niemand over nadenken. Elke dag
is men op zoek naar gelukkige dagen in deze wereld, waar ze niet
te vinden zijn. Maar niemand wil zo leven dat hij daar terechtkomt
waar ze wél te vinden zijn. Daarom houdt die schrifttekst ons een
vermaning voor: “Is er iemand die het leven bemint en gelukkige
dagen wil genieten?” (Ps 34,13) De Schrift stelde de vraag alsof zij
benieuwd was naar het antwoord, wel wetend dat alle mensen willen
leven en verlangen naar gelukkige dagen. De vraag strookte met
het verlangen van de mensen, want iedereen zou van ganser harte
antwoorden: “Ja, ik!” Daarom stelde zij de vraag aldus: “Is er iemand
die het leven bemint en gelukkige dagen wil genieten?”
En zo vergaat het u nu ook, nu ik tot u spreek. U hoorde mij tegen
u zeggen: “Is er iemand die het leven bemint en gelukkige dagen wil
genieten?” En op dat moment hebt u in uw hart geantwoord: “Ja, ik!”
Trouwens, ook ik, die u toespreek, bemin het leven en wil gelukkige
dagen genieten. Wat u verlangt, verlang ik ook. (…)
Uw verlangen, uw wil om te leven en gelukkige dagen te
genieten, verbied ik u dus niet. Sterker nog, ik wakker het zelfs aan.
Ga vooral door met zoeken naar het leven, naar gelukkige dagen.
Maar zoek ze waar ze gevonden kunnen worden. U wilt toch wel met
mij luisteren naar het advies van degene die weet waar de gelukkige
dagen zijn en waar het leven is? Luister niet naar mij, maar luister
samen met mij. Er is namelijk iemand die ons zegt: “Kom, kinderen,
luister naar mij.” (Ps 34,12) Laten wij snel samenkomen, onze plaats
innemen, de oren spitsen en heel ons hart openstellen voor de Vader
die zegt: “Kom, kinderen, luister naar Mij: ontzag voor de Heer zal
Ik u bijbrengen.” En dan volgt wát Hij ons wil bijbrengen, wat het nut
is van ontzag voor de Heer: “Is er iemand die het leven bemint en
gelukkige dagen wil genieten?” Allemaal antwoorden we: “Ja, wij!”
Laten we nu luisteren naar wat volgt: “Houd uw tong dan weg van
het kwaad, houd uw lippen weg van de leugen.” (Ps 34,14)
Nú moet u zeggen: “Ja, ik!” Daarnet, toen ik vroeg: “Is er iemand
die het leven bemint en gelukkige dagen wil genieten?” antwoordden
wij allemaal: “Ja, ik!” Komaan, laat iemand mij nú antwoorden: “Ja,
ik!” Houd dus uw tong weg van het kwaad en houd uw lippen weg
van de leugen. Nú moet u “ja” zeggen. Of wilt u wel gelukkige dagen
en wel leven, maar niet uw tong weghouden van het kwaad en uw
lippen van de leugen? Voor het loon staat u vooraan, maar u bent
te lui om te werken. Wie krijgt er eigenlijk loon zonder te werken?
Ik mag hopen dat u bij u thuis in ieder geval de mensen die werken
betaalt. Want ik weet zeker dat u de mensen die niet werken niet
betaalt. Hoe ik daarbij kom? Wel, u bent niets schuldig aan iemand
die niet werkt. (…)
Een grote beloning stelde God ons in het vooruitzicht. Laten
wij bij zulke vooruitzichten eens goed kijken naar zijn geboden. Nu
we eenmaal enthousiast zijn door die geweldige belofte en door
het verlangen naar die beloning, moeten wij met al onze krachten
zijn geboden gehoorzamen en onze schouders eronder zetten.
Gebiedt Hij ons soms zware lasten te dragen? Moeten we soms
graven of een steiger oprichten? Nee, Hij heeft u geen zware arbeid
opgedragen, maar Hij gebood u om het lichaamsdeel dat u het snelst
kunt bewegen in bedwang te houden: “Houd uw tong weg van het
kwaad.” Een bouwwerk oprichten is geen zwaar werk, en uw tong
bedwingen zou wel zwaar werk zijn? Houd uw tong weg van het
kwaad. U mag niet liegen, niet lasteren, niet roddelen, geen meineed
plegen en niet vloeken. Houd uw tong weg van het kwaad.
Let eens op hoe boos u wordt als iemand kwaad spreekt over u.
Zoals u boos wordt op een ander als hij kwaad over u spreekt, zo
moet u boos worden op uzelf als u kwaad spreekt over een ander.
Houd uw lippen weg van de leugen. Laat wat zich in uw hart bevindt,
naar buiten komen. Laat het hart niet het ene verbergen en de tong
het andere naar buiten brengen.
Keer u af van het kwade en doe het goede (Ps 34,15). Want
hoe kan ik nu iemand aansporen om de naakten te kleden, als hij
nog altijd de kleren van een ander wil stelen? Of wie zijn eigen
medeburgers tiranniseert, hoe kan die een vreemdeling opnemen in
zijn huis? Eerst het een, dan het ander: keer u af van het kwade, doe
dan het goede.
(uit: Sermo 108,3-4.5.6.7)
