Onderstaand fragment is afkomstig uit een preek die gehouden is rond het jaar
420. Augustinus licht zijn goede raad toe met het evangelieverhaal over Lazarus
en de rijke (Lc 16,19-31).
Leef goed, dan sterft u niet slecht. Bij de woorden die ik zei: “Leef
goed, dan sterft u niet slecht,” moet u geen acht slaan op hen die
misschien slecht hebben geleefd maar gewoon in hun eigen bed zijn
gestorven. Zij kregen een mooie begrafenis, zij werden in kostbare
sarcofagen gelegd, in schitterende en rijkbewerkte grafmonumenten.
Misschien zegt u nu allemaal bij uzelf: “Zo zou ik ook wel willen
sterven,” en vindt u het daarom onzin wat ik daarnet bedoelde: “Leef
goed, dan sterft u niet slecht.”
Aan de andere kant, misschien is er ook iemand die goed heeft
geleefd maar volgens de mensen slecht is gestorven. Misschien
vond hij de dood onder het puin (Lc 13,4), bij een schipbreuk of door
wilde beesten. En ieder mens van vlees en bloed zegt bij zichzelf:
“Wat heb je eraan om goed te leven? Moet je zien hoe die man heeft
geleefd en hoe hij de dood vond!” (…)
Denk nog eens even aan die rijke en die arme uit het evangelie
(Lc 16,19-31). Die rijke ging gekleed in purper en in het fijnste linnen
en hij vierde elke dag uitbundig feest. Die arme daarentegen lag
hongerig aan de poort van de rijke. Hij verlangde naar de kruimels
die van tafel vielen. Hij was bedekt met zweren en de honden likten
aan hem. Ja, breng u die te binnen. En hoe kunt u dat? Alleen omdat
Christus in uw binnenste woont. Zeg mij wat u Hem in uw hart hebt
gevraagd en wat Hij heeft geantwoord. Wel, Hij gaat als volgt verder:
“Toen kwam de arme te sterven; de engelen droegen hem in de
schoot van Abraham. Ook de rijke stierf, werd begraven en kwam
in de hel. Gekweld door pijn sloeg hij zijn ogen op en zag Lazarus
rusten in de schoot van Abraham. “Vader Abraham,” riep hij, “heb
medelijden met me. Stuur Lazarus om de toppen van zijn vingers nat
te maken met water en er mijn tong mee te bevochtigen, want ik lijd
hevig in dit vuur.” Een hooggeplaatste bij zijn leven, een bedelaar
in de hel. De arme man kreeg tenminste nog wat kruimels, de rijke
kreeg zelfs geen druppel water.
Vertel me nu eens: wie van de twee is goed gestorven en wie
slecht? Vraag het niet aan uw ogen, keer terug naar uw hart. Als
u het aan uw ogen vraagt, geven zij het verkeerde antwoord. Wat
immers aan de rijke bij zijn dood kon worden besteed, was heel
schitterend en vol pracht en praal. Wat een rijen weeklagende
slaven en slavinnen, wat een stoet aanhangers! Wat een prachtige
begrafenis, wat een kostbaar grafmonument! Hij moet wel haast
bedolven zijn onder de reukwerken! Wat moeten we nu zeggen,
broeders en zusters: had de rijke nu een mooie dood of niet? Als u
het aan uw ogen vraagt, was het een schitterende dood. Als u het
aan uw Leraar in uw hart vraagt, was het een afschuwelijke dood.
(…)
Broeders en zusters, u kunt zich deze woorden aantrekken.
Let op de armen, of ze nu liggen of lopen. Let op de armen en doe
goede werken. Als u dat nu al doet, moet u het blijven doen. Zo
niet, begin er dan mee. Het aantal weldoeners moet groeien, want
het aantal gelovigen groeit ook. Hoeveel goed u doet, kunt u nog
niet zien. Ook een boer ziet de oogst niet wanneer hij zaait, maar
hij vertrouwt op de aarde. Waarom vertrouwt u dan niet op God?
Onze oogst zal komen. Bedenk dat we nu zwaar zwoegen, dat we
nu zwaar ploeteren, om eens te oogsten zoals geschreven staat:
“Ze gingen in tranen om te zaaien, ze zullen juichend komen om te
maaien met schoven op de rug.” (Ps 126,6)
(uit: Sermo 102,1-5)
